Palumeu-Roseveltpiek 
| | Palumeu - Roseveltpiek | | Duur 8 dagen | | Transport Vliegtuig, Korjaal | | Groepsgrootte 4 - 8 personen | | Prijs p.p Euro € 775 |
|
Deze beschrijving is gemaakt door een van de gasten die samen met twee vrienden en een vriendin een achtdaagse tour naar Apetina en de Roseveltpiek in de buurt van de Tusukreek heeft gemaakt. Veel elementen keren in iedere trip terug, andere gebeurtenissen zijn uniek. Daarvoor is het ook een avontuurlijke reis; niemand kan exact voorspellen wat er gaat gebeuren. Deze gast heeft bijvoorbeeld niet meegemaakt dat een korjaal met menskracht door een stroomversnelling werd gesjord. De waterstand in de rivieren en kreken was zo hoog, dat dat nergens nodig was. Maar dat is eerder uitzondering dan regel.
Verder: als een kortere reis gemaakt wordt, komen onderdelen uit deze beschreven reis te vervallen. Uitvalsbasis was Apetina, dat kan ook Palumue zijn. | |
| Eerste dag Vertrek vanaf Zorg en Hoop, het vliegveld in Parimaribo voor binnenlandse vluchten. Over de buitenwijken, het Brokopondo stuwmeer, de uitgestrekte oerwouden vliegen we met een klein toestel in tachtig minuten naar de Wayana Indianen in het Zuid-Oosten van Suriname. Her en der zien we rechthoekige stukken rode grond; hier is het oerwoud weggekapt door goudzoekers.
De landing is spectaculair: met een grote bocht draait de piloot van Gum Air het toestelletje over de rivier naar de airstrip. Eenmaal op de grond, staat een groepje Indianen ons al onder een afdakje op te wachten. Onder hen: Ronnie, Kappie en Johan, de drie gidsen die de komende tijd voor ons zullen zorgen. |
Met Ronnies korjaal (de enige blauwe in het dorp en Nike gedoopt) is het maar een kort stukje naar Apetina. We nemen de redelijk grote stroomversnelling voor het dorp, waar we even later rondlopen. Het dorpshoofd, dat even buiten het dorp zijn onderkomen heeft, wordt door ons begroet. Dijon, de gids vertaalt de zorgen van het dorpshoofd. Op zijn kostgrond zijn de mieren flink bezig. En rondom zijn linkeroog, is zijn gezicht ontstoken geweest. Hij wrijft over het litteken. Het oog is nog dik. De kinderen in het dorp krijgen snoepjes. We vertrekken per korjaal naar Tutu kampu, het kamp dat op een uur stroomopwaarts varen ligt. Een speciaal gebouwd toeristenoord is het niet, gelukkig niet. We begroeten ook hier de belangrijkste man. Hier wonen ongeveer drie gezinnen van TTn familie. Ze gaan rustig door met hun werk: cassave schillen en raspen, het giftige blauwzuur eruit persen met een lange korf (een matapi), vervolgens koken en op grote metalen platen bakken tot cassavebrood. Ze jagen, vissen en halen hout in het oerwoud.
Het kamp lijkt niets anders dan een paradijs. Wie de rivier afkijkt, ziet daar de Teboe, een granieten bult van 374 meter, die bij veel mensen de kriebels opwekt om hem te beklimmen. Schitterend gekleurde ara's vliegen in paartjes boven de bomen, 's avonds zien we schitterende vuurvliegjes die zowel groen als oranje licht oplichten. Als het duister invalt start een tropisch concert van alle insecten en dieren die 's nachts actief zijn.
Er zijn twee Indiaanse onderkomens voor ons: een keuken en een ruimte waar we de hangmatten ophangen. Ronnie lacht zich slap als hij mijn speciale junglehangmat ziet: hangmat en klamboe zitten aan elkaar vast. Hij heeft er niet veel vertrouwen in. Maar het groene kunststoffen, Canadese product kan mijn gewicht dragen en de muskieten blijven weg.
Tweede dag Met de korjaal varen we zo dicht mogelijk naar de Teboetop die we vandaag zullen beklimmen. Eerst een uur door het oerwoud lopen. Ronnie, Johan en Kappie en Dijon vinden hun pad op onnavolgbare wijze. Aan een enkel geknakt takje, of een stuk afgesneden boombast, hebben ze genoeg om de richting te bepalen. Ze brengen zelf ook merktekens aan om iedereen die na ons komt het pad te wijzen.
We passeren in het bos heilige plaatsen waar boslandcreolen met toestemming van de Indianen hun offers hebben gebracht; alcohol en doeken. Over omgehakte bomen steken we de kreekjes over. En dan: de beklimming van de Teboetop; met beleid klauteren we over de rotsen. Heel steil is de helling niet, maar als het nodig is, gooit Johan een touwtje uit, waar we ons aan kunnen vasthouden. |
 |
Vanaf de top is het uitzicht schitterend: zo ver het oog reikt zien we het groen van de boomtoppen, rondvliegende roofvogels en her en der in de verte andere bergjes en een regenboog. Op de top is een bescheiden offerplaats ingericht, met lege blikjes frisdrank en bier. Aan de achterkant van de berg dalen we af en vinden, na een iets langere terugtocht, de korjaal weer.
Bij een grote stroomversnelling baden we de vermoeidheid weg. De terugvaart is erg nat: de hele tijd daalt een flinke regen op ons neer. Met liedjes en grapjes houd ik de moed erin. Paraplu en regenmantel zijn trouwens ook handig.
| Derde dag Dijon, wat doen we als het zo blijft regenen als gistermiddag en -avond? We zien wel. Het weer is redelijk, we vertrekken naar de Tusukreek. Meanderend dringen we dieper en dieper het oerwoud in. Reigers, wevervogels, blauwe vlinders en vleermuizen vliegen rond. Dan: Kappie, Johan, Ronnie en Dijon zien een leguaan in een boom zitten. De rest, de vier Nederlandse gasten, niet. Ook al wijst Kappie drie of vier keer, we zien alleen een bladerenmassa. Bijna begin ik te geloven dat we voor de gek gehouden worden, dan richt Kappie vanuit de korjaal zijn geweer schuin omhoog. Een schot hagel: een lichtgroene, nog niet zo oude leguaan valt loodrecht de rivier in. Dijon springt onmiddellijk uit de korjaal om het dier bij zijn staart te grijpen. Dit maaltje mag ons niet ontglippen. 's Avonds zit ik te kluiven aan de rechter voorpoot. |
We slapen in een voormalig kampje aan de kreek. De Indianen bouwen (met een beetje hulp van ons) een hut: omgehakte bomen worden in de grond geboord en gestut. Met nog meer hout wordt het geraamte van onze nieuwe slaapplek sterk genoeg gemaakt om zes hangmatten te dragen. Twee dekzeilen vormen het waterdichte dak. Tropische regen die nacht. Ik lig droog tussen twee bomen in mijn Canadese hangmat, waarvan het regendek honderd procent waterdicht blijkt te zijn.
Vierde dag Johan en Kappie vlechten in no-time rugzakken van grote palmbladeren. De plastic tonnen gaan er in. De gidsen en een van mijn vrienden binden ze op hun rug. Ik en de twee anderen lopen liever met onze eigen rugzakken. Vier uur struinen we door het oerwoud naar het volgende kampje, aan een kreek, waar ook weer flink gebouwd moet worden. 's Nachts schieten de Indianen regelmatig hun hangmat uit omdat ze een kaaiman op het spoor zijn. Ze krijgen hem niet te pakken.
| Vijfde dag Dit is de spannendste dag. We willen de Roseveltpiek halen. Vroeg op. Maar voordat we gaan, moeten eerst de twee Powisies, die Kappie en Johan geschoten hebben, worden geplukt en gekookt op het houtvuurtje. Half elf vertrek. Zeker twee uur lopen tot we de eerste heuvels bereiken.
Als we die beklimmen, en we de Roseveltpiek van dichtbij kunnen zien, beginnen mijn vrienden en ik te twijfelen. Die ziet er wel heel steil uit. Gaat het lukken? We komen tot een groene richel onder de piek, die overgaat in een granieten, steile helling, die her en der ook nog glad is. Er dreigen regenbuien. Die kunnen we niet gebruiken, dan wordt klimmen en dalen veel te gevaarlijk. Een Nederlandse vriend en Ronnie blijven hier wachten. De rest waagt het erop. |
Met hulp van Johan die zijn touwtje herhaaldelijk uitwerpt, klimmen we naar de volgende strook begroeiing. Het is al laat. Nog steeds dreigt er regen te vallen, en al is het nog maar een kwartier naar de top en hebben we het moeilijkste nu gehad, we staken de poging en keren allemaal terug. Gemengde gevoelens: teleurstelling, vermoeidheid (waar Johan en Kappie overigens nauwelijks last van lijken te hebben) en gespannenheid (de risico's waren niet denkbeeldig), maar ook blijdschap over de veilige terugkeer van het steile stuk.
De terugweg naar het kampje moet in recordtijd worden afgelegd, in anderhalf, twee uur: een junglewet is dat je nooit in het donker moet lopen. De indianen zetten de vaart erin. Niet lang voordat het duister valt, liggen we ingezeept in de kreek bij ons kampje te ontspannen.
Zesde dag Teruglopen naar het kampje bij de Tusukreek en meteen per korjaal door naar Tutu Kampu. Stroomafwaarts doen we een groot stuk peddelend. De rest van de dag relaxen we.
Zevende dag Baden in de kreek, heerlijk in de hangmat liggen, kaarten en schaken. 's Avonds licht een volle maan het kamp op. Kappie komt ons 's nachts wakker schudden in onze hangmatten. We schrikken: wat is er? Sluipt er een jaguar rond het kamp? Of wat. Nee, de maan, kijk, hij wordt duister. We zijn getuige van een zeldzame maansverduistering. Een krant waarin die werd aangekondigd, hebben we er niet voor nodig gehad. Kappie voelde de bijzondere gebeurtenis feilloos aan.
Achtste dag 's Ochtends in Apetina geprobeerd een generator van Ronnie aan de praat te krijgen. Hij had per ongeluk te vette mengsmering als brandstof gebruikt. We doen wat we kunnen, bougie ontvetten, voorzichtig onderdelen losschroeven en schoonmaken, maar wat we ook aan het koord blijven trekken; niks. De generator vliegt met ons mee terug, door een enkele heftige regenbui, naar Zorg en Hoop. Het afscheid van Johan, Kappie en Ronnie maakt ons een beetje verdrietig. |
| | | |
|